De maat nemen


Download dit korte verhaal en twee andere gratis als e-book, na inschrijving op de nieuwsbrief.

‘Anachoreet, twee keer de woordwaarde dat wordt dan achtenveertig punten.’ Willem draait opgetogen het scrabblebord om, pakt het andere opzetplankje en begint met evenveel hartstocht te mopperen. ‘Nagel, twee keer de woordwaarde dat zijn dertig punten.’ Willem is vrijgezel, niet eeuwig geweest maar zijn vrouw heeft hem eenentwintig jaar geleden voor de keuze gesteld: de katten of zij eruit. Inmiddels heeft Willem er honderddrieëntwintig. Voor Willem geen probleem totdat bemoeial van nummer eenentwintig regelmatig ging aanbellen. Eerst of hij een bakje koffie wilde doen (nee, natuurlijk niet) en daarna begon hij zich met zijn, toen noch, zesennegentig katten te bemoeien. Wijkagent, buurtwerker, eenieder verscheen aan Willems voordeur en hij moest praten als Brugman om ze af te poeieren. Niemand, maar dan ook niemand, komt aan Willems katten. Katten zijn betrouwbaarder dan mensen meent Willem; hij begrijpt ze beter. Bemoeial van nummer eenentwintig is inmiddels zeven maanden geleden, na een hartstilstand, begraven. De buurt denkt er het zijne van en sindsdien lopen ze – naar Willems tevredenheid – met een nog wijdere boog om hem heen.

Het schelle geluid van de deurbel doet Willem opschrikken uit zijn spel. Hij verwacht geen enkele pakketje en de boodschappen bezorgen ze vrijdag. Hij gluurt op het beeldscherm van zijn deurcamera, een vrouw met blond of vlassig grijs haar. Zou dat weer een nieuwe maatschappelijk werker zijn die verondersteld wordt zich bezoldigd met Willems leven te bemoeien? Wat betreft Willem laten ze hem met rust, men moet afzondering niet met eenzaamheid verwarren en honderddrieëntwintig katten niet met verwaarlozing.

De vrouw schrikt zichtbaar wanneer Willem de voordeur opendoet. Is het zijn weliswaar onverzorgde baard die een hipster niet zou misstaan of wellicht zijn zelfgebreide trui?

Willem plukt snel een paar broodkruimels uit zijn baard. ‘Kan ik u ergens mee van dienst zijn mevrouw?’

‘Ik heb samen met mijn dochter intrek genomen op nummer eenentwintig. We wilden vragen of u een kop koffie met ons wilt drinken zodat we kennis met elkaar kunnen maken.’

De tengere meid naast de buurvrouw is Willem, tot nu toe, niet opgevallen.

‘Mama, we gaan die engerd toch niet in ons huis uitnodigen voor een kop koffie?’

‘Liesje, je manieren.’

‘Maar mam.’

Vijf katten (wellicht waren het er zeven) schieten langs Liesje heen de woning binnen.

‘Was dat een Pers?’ vraagt Liesje nieuwsgierig, ‘mag ik er één aaien?’

‘Liesje,’ bijt moeder haar toe, ‘we kleppen niet met vreemden en we gaan al helemaal niet bij vreemde lui naar binnen.’

‘Maar mam. Je wilde hem thuis uitnodigen voor de koffie.’

‘Ja hoor eens, ik voorzie toch ook niet dat het een vuns is.’

‘Maar je nodigde hem uit nadat je hem gezien had.’

‘Verwacht je dat het voor mij makkelijk is? Alle mannen zijn smeerlappen en bij deze meneer hecht de vuiligheid zich eenvoudigweg in zijn baardhaar moet ik dan maar weglopen?’

‘Zeg maar Willem,’ reageert Willem nuchter.

De buurvrouw, die geen acht meer op Willem had geslagen, kijkt verschrikt op.

‘Om eerlijk te zijn vind ik uw mening over mannen nogal de plank misslaan.

‘Oh ja?’ reageert de buurvrouw fel. Bij voorbaat geërgerd op wat komen zal loert ze Willem venijnig aan. Hoe vaak heeft ze niet moeten horen: “nee, mannen zijn geen smeerlappen” of “ja, zo zijn mannen maar ik niet.” Ze waren het allemaal, stuk voor stuk. Ze weet ook niet meer zo goed waarom ze besloten heeft om bij de hem aan te bellen zonder zich ervan te vergewissen of er enkel een manspersoon huist. De reden beseft ze wel: omdat het zo hoort. Nu moet ze op de blaren zitten en luisteren naar wat dit mannetje te vertellen heeft.

‘Het verbaast me dat u enig vertrouwen toont in de helft van de mensheid. ‘

‘Pardon?’ roept de buurvrouw.

‘Mannen en vrouwen, het verschil is slechts oppervlakkig, maar liegen doen ze allen.’

‘Dat neemt u terug. Ik, om uw ongelijk te bewijzen, lieg niet.’

‘Dat heeft u zojuist nog tegen uw kind gedaan.’

‘Dat heb ik niet.’

‘Heeft u zojuist niet tegen uw dochter gezegd dat jullie niet met vreemden praten?’

‘Natuurlijk wat verwacht u dan?’

‘Ben ik geen vreemde voor u?’

‘In meerdere opzichten.’

‘En dat inzicht had u meteen toen u mij zag en toch spreekt u met mij. Mevrouw, u bent een leugenaar en een hele slechte ook nog.’

Liesje loert langs Willem heen de gang in om één van de Perzen te zien lopen.

‘Liesje we gaan.’

‘Maar mam, ik heb altijd al een Pers willen hebben. Ik zou ze dolgraag eens van dichtbij zien.’

‘Nee, we gaan naar huis.’

‘Misschien heeft hij wel een sphynx?’

Willem begint te lachen. ‘U houdt van naaktkatten?’

‘Heeft u wel eens de oren van een sphynx bestudeerd?’

‘Wat waant u zich? Dat dit een tehuis is voor straatkatten?’

‘U heeft een sphynx?’

‘Sinds drie maanden heb ik er zeven.’

‘U gaat mij hier zitten beweren dat u zeven sphynxen bezit die – toevallig – de leeftijd hebben om het nest te kunnen verlaten?’

‘Het is nog erger, ze liggen meestal in mijn slaapkamer.’

‘Dit is wel een heel doorzichtige smoes om mij naar uw slaapkamer te lokken.’

‘Waar haalt u het idee vandaan dat ik u in mijn woonhuis toelaat? Ik heb nu al langer met u lopen ouwehoeren dan dat ik de afgelopen tien jaar met wie dan ook heb gepraat. Ik wens u veel woongenot en wellicht ziet u één van mijn sphynxen eens in het raamkozijn.’

  ‘Liesje, we gaan.’ Terwijl de buurvrouw Liesjes hand wil vastpakken grijpt ze in het luchtledige. ‘Liesje?’ Ze kijkt naar Willem en Willem kijkt naar haar. Dan hoort ze een traptrede kraken. ‘Liesje kom terug!’ De buurvrouw stuift langs Willem.

‘Wat flikken jullie me nou?’ sputtert Willem, maar de buurvrouw is al boven. Ontstemd rent Willem haar achterna. ‘Dit is huisvredebreuk. Wie denken jullie wel wie jullie zijn?’ Willem controleert zijn slaapkamer, maar behalve zes sphynxen, twee blauwe Russen, één Siberische kat en zeventien zonder stamboom is er niemand. De schrik slaat Willem op het lijf. Ze zouden toch niet in de lounge zijn? Als hij zich heeft omgedraaid besefte hij al hoe laat het is, de kamerdeur staat wagenwijd open met de buurvrouw pontificaal in de deuropening.

De buurvrouw staart met open mond naar de lounge. ‘U heeft een kamer voor ze ingericht?’

Willem knikt zonder iets te zeggen. Eerlijk gezegd heeft hij het liefst dat ze daar weggaan. Niet zozeer uit de woning, slechts de uit lounge zou al voldoende zijn, ze zijn op hun rust gesteld.

Terwijl Liesje een Pers kroelt neemt de buurvrouw de kamer in haar op. De vele mandjes, krabpalen, kussens en zelfs een bank waar dertien katten op liggen te slapen en dat verbaast de buurvrouw nog het allerminst. Het is de geur die de buurvrouw doen verbazen. Ze kan er met haar verstand niet bij? ‘U bent toch vrijgezel?’

‘Ja,’ antwoord Willem korzelig.

‘En u heeft geen hulp in de huishouding?’

‘Heeft u buiten aan de voordeur niet gehoord wat ik van het menselijk soort vind?’

‘Maar het is zo smetteloos schoon. U heeft toch meer dan honderd katten?’

‘Honderddrieëntwintig. Mevrouw u bent net zoals de rest.’

‘Zeg maar Ilse.’

‘Iedereen loopt maar te blèren dat het wel één grote gore bende zou zijn bij die smoezelige oude zonderling enkel omdat hij honderddrieëntwintig katten heeft en geen mens overdenkt dat deze oude onnozele gewoon een stofzuiger kan pakken, een doekje ergens overheen kan halen of een kattenbak kan verschonen.’

‘Heeft u zin om bij ons te eten?’ vraagt Liesje uit het niets.

Ilse schrikt zichtbaar. ‘Liesje, we kunnen toch niet zomaar iemand uitnodigen.’

‘Maar mama, je vindt hem toch leuk.’

Ilse blikt, met schaamrood op haar kaken, op maar Willem is verdwenen.

Met grote passen beent Willem de kamer weer binnen. Hij drukt een klein hoopje in Ilses handen. ‘Voor jullie als je hem wilt.’

Ilse bestudeert het wezentje dat eerder overeenkomsten vertoont met een vleugellamme vleermuis dan met een kat. Haar ogen verzinken in de hemelsblauwe ogen. Dit heeft ze als klein meisje voortdurend al gewild en in haar verbeelding hadden ze steevast hemelsblauwe ogen. Net zoals veel van haar kinderdromen zijn ze geknakt of weggeborgen maar dat is verleden tijd. Ze zou voor hem gaan zorgen tot aan het eind van zijn dagen. Ze realiseert zich opeens dat Willem helemaal niet zo wereldvreemd is als dat ze bevroedt. Hij is anders, dat klopt, maar dat is louter omdat hij zijn dromen najaagt, iedereen buitengesloten die hem veroordeelde voor wie hij is, voor wat hij doet en hij (dringt met een schok tot Ilse door) heeft haar tot zijn wereld toegelaten en zij wil geen enkel manspersoon nog toelaten tot haar leven. Het is te veel voor Ilse. Ze rent de woning uit, Liesje met de kitten er achteraan. Een buurtgenoot met een hond ziet het gebeuren en de buurt oordeelt maar Ilse niet meer. Ze is sinds haar kennismaking wellicht vervreemd volgens de buurt maar wel zichzelf. Ze maakt haar kinderdroom waar en die van Liesje spoedig ook.


Meer korte verhalen…

Nieuwsbrief
Wil je geen kort verhaal meer missen? Schrijf je dan in voor mijn nieuwsbrief.

Steun mijn schrijfwerk
Vind je dit verhaal leuk? Je kan mij steunen door een kop koffie voor mij te betalen via PayPal of creditcard.